Minimum taalniveau

Een goede taalontwikkeling is belangrijk voor het kind om een goede start te maken in het primair onderwijs. Een taalrijke omgeving is hierbij cruciaal. Pedagogisch medewerkers moeten daarom minimaal niveau 3F of B2 voor mondelinge taalvaardigheid hebben. Hiervoor wordt een ingroeimodel gehanteerd.

Ingang per 1 januari 2025

De eisen aan het minimum taalniveau voor beroepskrachten treden in werking per 1 januari 2025. Voor deze ruime invoeringstermijn is gekozen zodat kinderopvangorganisaties voldoende tijd hebben om alle pedagogisch medewerkers te toetsen en eventueel scholing te bieden. Ook hebben opleidingen voor de kinderopvang met de invoeringstermijn de gelegenheid om het hogere taalniveau te verweven in de opleidingsstructuur. Ook invalkrachten en pedagogisch medewerkers op tijdelijke basis moeten per 1 januari 2025 aan deze kwalificatie-eis voldoen.

Documenten ter toelichting

De cao partijen hebben de taaleis uitgewerkt in het Functieboek onderdeel Taaleis Nederlands. Daarnaast heeft de Brancheorganisatie Kinderopvang een nadere uitleg van de taaleis voor de kinderopvang opgesteld. Zij bieden ook een overzicht van verschillen en overeenkomsten met de taaleis voor de voorschoolse educatie.

Uitleg en praktische tips? Bekijk de video.

Vlogreeks ‘IKK in de praktijk’: de Taaleis bij de UvA

Hoe gaan kinderopvanglocaties in de praktijk om met IKK? Ze laten het zien in de vlogreeks ‘IKK in de praktijk’. We gingen lang bij UvA Talen voor de taaleis. Wat houdt de nieuwe taaleis precies in? En hoe wordt dit getoetst? Femke Bos, Projectcoördinator UvA Talen, vertelt het in de vlog. “Het gaat vooral om vloeiend en spontaan Nederlands kunnen spreken.” Femke laat zien hoe bijvoorbeeld UvA Talen de toets afneemt en geeft praktische tips.

De taaltoets bij de UvA

Documenten